75% van alle wilde bijen nestelt in de bodem. Leg een zandnestplek aan: de juiste handleiding voor standplaats, zandtype en beplanting in de natuurlijke tuin.
Veel tuinbezitters plaatsen insectenhotels en zijn verbaasd dat de verwachte drukte uitblijft. De reden hiervoor is biologisch eenvoudig: de overgrote meerderheid van onze inheemse wilde bijen zijn grondnestelaars. Zij hebben geen houten buisjes nodig, maar open zandplekken om hun nestgangen te graven. Met een zandnestplek (een open zandbiotoop voor grondnestelende wilde bijen) creëer je op slechts één vierkante meter vaak meer leefgebied dan met tien nestkasten uit de winkel.
Hieronder staat hoe een dergelijke zandplek vakkundig en duurzaam wordt aangelegd.
Voordat de spade de grond in gaat, is het nuttig om naar de ecologische feiten te kijken. De behoeften van grondnestelaars verschillen fundamenteel van die van bewoners van holtes.
| Kenmerk | Insectenhotel | Zandnestplek |
|---|---|---|
| Doelgroep | Holtebewoners (bijv. metselbijen) | Grondnestelaars (bijv. zandbijen, zijdebijen) |
| Aandeel wilde bijen | Ca. 25% van de soorten | Ca. 75% van de soorten |
| Hoofdvereiste | Stabiele buisjes, gladde randen | Graafbaar, stabiel substraat, warmte |
| Onderhoud | Reiniging, vervangen van elementen | Begroeiing verwijderen, af en toe verdichten |
Een functionerende zandnestplek vereist meer dan alleen een hoop zand op het gazon storten. Om te voorkomen dat de nestgangen instorten en de larven de winter overleven, moeten de volgende punten in acht worden genomen.
Grondnestelaars zijn warmteminnend. Kies een plek in de tuin met een zuid- of zuidoostelijke oriëntatie die indien mogelijk de hele dag in de volle zon ligt. Schaduwrijke plekken worden door bijen meestal genegeerd, omdat de bodemwarmte essentieel is voor de ontwikkeling van het broed.
Zorg er bovendien voor dat de bodem goed kan opdrogen. Wateroverlast is dodelijk voor het bijenbroed (risico op schimmelvorming). Bij zeer kleiachtige of natte gronden is een drainagelaag van grind onder de zandnestplek aan te raden.
Om ervoor te zorgen dat de zandnestplek ook in de winter vorstbestendig is voor de bijenlarven, is diepte cruciaal. Een ondiepe laag is onvoldoende.
Een zandnestplek alleen is niet voldoende; de uitkomende bijen hebben direct energie nodig. Plant daarom direct rondom de zandnestplek inheemse pollenbronnen.
Geschikte planten voor de randzone:
Belangrijk: Het zandoppervlak zelf moet grotendeels vrij van begroeiing blijven. Gebruik in het nestgebied geen boomschors of worteldoek. Deze materialen voorkomen dat de bijen de bodem kunnen bereiken en houden vocht vast, wat moet worden vermeden.
Een zandnestplek is onderhoudsarm, maar niet onderhoudsvrij.
Integreer dood hout of grotere stenen aan de rand van de zandnestplek. Deze dienen als zonnevallen die warmte opslaan en op koele dagen dienen als opwarmplek voor de insecten. Laat de randen gerust wat "rommelig"; kleine afbrokkelende randjes of mini-hellingen bieden waardevolle microhabitats voor verschillende specialisten.
Gebruik absoluut ongeseefd, bindig zand (korrelgrootte 0/2 tot 0/4) met leemdelen. Speelzand is ongeschikt omdat gegraven gangen daarin direct instorten.
Plan minimaal 50 cm diepte. Dit garandeert dat het broed in de onderste gangen beschermd is tegen vorst.
De standplaats moet volledig zonnig zijn (oriëntatie zuid of zuidoost). Schaduwrijke plekken worden door warmteminnende grondnestelaars meestal gemeden.
Nee, absoluut niet. Schors en worteldoek blokkeren de toegang tot de bodem voor bijen en houden schadelijk vocht vast. Het oppervlak moet open blijven.
Plant inheemse soorten zoals slangenkruid, knoopkruid of veldsalie rondom het zandoppervlak om stuifmeel en nectar in de directe nabijheid aan te bieden.
Erhältlich bei Gartenexpedition.de

2,50 €
inkl. MwSt., zzgl. Versandkosten
Zum Shop →

3,27 €
inkl. MwSt., zzgl. Versandkosten
Zum Shop →
Partnerhinweis: Die verlinkten Produkte stammen von Gartenexpedition.de. Bei einem Kauf unterstützt du unsere Arbeit.
Schlagwörter
Alle Artendaten stammen aus wissenschaftlichen Quellen (CC BY 4.0 / CC0). Namensnennung gemäß Lizenzbedingungen. Vollständige Quellenübersicht →